Blad voor een blote bodem

Sinds ik lees over permacultuur en ik de beginselen hiervan voorzichtig zowel in Nederland als in Denemarken in de praktijk breng, kijk ik anders aan tegen gevallen herfstblad. Net zoals elke los gewaaide of gesnoeide polsdikke tak tegenwoordig potentieel voer voor de kachel is, en elk dunner twijgje een nieuwe bestemming in de takkenril vindt, zo is elk blad nu mulch.

Voer voor een gezonde bodem. Compost in wording, rechtstreeks uit de boom. Zonder tussenkomst van bezems, korven, bladveegwagens en een afvalinzamelaar. Maar ja: in een stenen stad moet je natuurlijk wat; hier levert afgevallen blad vooral hinder op en dus moet het weg. Van de straat, van de stoep, uit de tuin…

In de gemeente Nijmegen staan in totaal 530 bladkorven. Geplaatst om de bewoners ‘een handje te helpen bij het opruimen van blad van gemeentelijke bomen. In de bladkorven kunt u het blad van de gemeentelijke bomen dat in de tuin en op straat ligt doen’. Volgens mij is het eerder andersom. Dat wij, de bewoners, hiermee De Afval Recycler (DAR) helpen, maar goed.

bladkorf

Een bladkorf in onze wijk, vanwege de overlast van al dat blad op je stoep of erger: in je voortuin

Die bladkorven worden niet zomaar ergens willekeurig neergezet. Alle locaties moeten voldoen aan verschillende voorwaarden, zoals ‘in straten met gemeentelijke bomen hoger dan 15 meter waar overlast van blad wordt ervaren als blad in de voortuinen waait’. Tja, ik geef het eerlijk toe: ook ik heb ooit blad uit mijn voortuin aangeharkt en in de groencontainer gestopt (toen er nog geen bladkorven bestonden). Wat moest je er anders mee? Maar tegenwoordig doe ik dat niet meer dus.

Het is de beste ‘mest’ voor de tuin. Ik veeg mijn tuinpaadjes wel schoon – want: nat wordt ’t glibberig – maar mik het vervolgens gewoon tussen de planten. Grote eikenbladeren knip ik bij gebrek aan een grasmaaier in Nijmegen nog wat kleiner met de heggenschaar, en zo vormt het een perfect winterdekentje voor een rijk ondergronds leven.

Mulchen (spreek uit: multjsen) is het toedekken van de bodem met een laag organisch materiaal. Dat kunnen dus herfstbladeren zijn, gemaaid gras, houtsnippers, maar ook ‘afval’ uit de moestuin zoals het blad van de rabarber, het loof van aardappels of bieten of de brandnetels die we niet meer nodig hebben om thee of soep van te maken. Het resultaat: een kruimelige en lekker ruikende bodem, zoals in een bos dus. Mulchen doe je omdat ‘een blote bodem een dode bodem’ is.

Mulchen heeft veel voordelen. Een mulchlaag beschermt de bodem tegen slagregen, rechtstreekse zonnestralen en uitdrogende wind. Tijdens de zomer voorkomt een mulchlaag het verdampen van het bodemvocht. Plantenwortels en bodemorganismen varen er wel bij.

Afbraakorganismen hebben maanden tot jaren nodig om mulchmateriaal te verwerken. In die tijd komen humus en voedingselementen voor de planten vrij. Dat wordt samen met de bodemdeeltjes verwerkt tot een luchtige kruimelstructuur. Dit houdt water en voedingsstoffen vast. Tussen de kruimels stroomt het (overtollige) water gemakkelijk weg. Zo behoudt de bodem na hevige regenval toch zijn luchtigheid en na weken van droogte nog voldoende vocht.

De mulchlaag tempert de grote temperatuursverschillen tussen dag en nacht. Dat is belangrijk voor de plantenwortels en het bodemleven. En last but not least: mulchen helpt de bodem onkruidvrij te houden. Door de bodem onder de mulchlaag ongemoeid te laten, worden de onkruidzaden in de bodem niet geactiveerd. De zaden die wind en vogels aanvoeren, vallen op een laag dorre bladeren of droge snippers. Dat remt het ontkiemen af. Gebeurt dit toch, dan wortelen ze in de luchtige bodem onder de mulchlaag. Je kan het onkruid eenvoudig verwijderen.

LG eerste moestuinbak 2017-03-06 16.50.46 HDR

6 maart 2017: Jaap legt ons eerste moestuinbed aan. Inmiddels hebben we voor een wat groter oppervlak mulch nodig…

In Denemarken hebben we, in tegenstelling tot in onze Nijmeegse woonwijk, relatief weinig en al helemaal geen 15 meter hoge bomen rondom ons huis, maar wel veel veel wind. Daar ‘valt’ het blad dus niet, maar waait het meteen ver weg, als het al niet aan de takken weggeschuurd is door de zoute zeewind. Daar halen we dus af en toe wat zakken blad uit diverse bossen: eikenblad, beukenblad, populierenblad, van alles wat. Strooien dat uit over het gras, gaan er even met de maaimachine overheen zodat het versnipperd wordt – om te voorkomen dat het één dikke slijmerige laag wordt – en verspreiden deze mix vervolgens over de (moes- en fruittuin)bodem waar het langzaam maar zeker tot compost wordt.

De Nijmeegse afvalinzamelaar doet uiteindelijk met al dat ingezamelde blad uit de korven hetzelfde: er compost van maken. Er is echter 1 maar: dan moet er ook wel alléén blad in zo’n korf zitten. En daar gaat het helaas nogal eens mis. Veel wijkbewoners zien de korf als een grote groencontainer en mikken er van alles in. Daar wordt nu korte metten mee gemaakt: ‘Zit er afval in de bladkorf dat er niet in hoort? Dan komt er één keer een waarschuwingssticker op de korf. Is de bladkorf daarna weer vervuild? Dan halen we de korf op’, zo dreigt de DAR. En ja, waar moet je dan al dat blad uit je voortuin laten? …

Wat doe jij met afgevallen herfstbladeren?

 

 

 

Advertenties

Ons leven als een bouwput

Op een van m’n lunchwandelingetjes krijg ik onverwacht een inkijkje in het hart van mijn werkgever: de bouwput in het midden van het terrein van het ziekenhuiscomplex. Al in de eerste periode dat ik hier werkte werd hier gesloopt, en voelde ik de doffe bonken als er weer een stuk beton ter aarde stortte. De sloop hier lijkt bijna een parallel met ons leven.

sloop

De bouwput van het ziekenhuis

Toen ik net in dienst kwam, zo’n twaalf jaar geleden, begon de afbraak van de vleugel waar ik enkele jaren eerder was bevallen. Dagelijks kon ik vanaf de afdeling chirurgie waar ik werkte, horen, voelen en – als we naar buiten liepen – ook zien hoe brok voor brok geschiedenis werd weg gehapt. Ziekenhuisgeschiedenis, en een stukje van mijn eigen leven.

Ik verliet de afdeling voordat deze ging verhuizen naar de nieuwe locatie, en verliet uiteindelijk ook het ziekenhuis voor een langer-dan-gedachte sabbatical. In die jaren van ‘stilstand’ gebeurde er veel. We braken ons oude leven net als het verpleeggebouw stukje voor stukje af, en ervoor in de plaats kwam het plan een heel ander leven in Denemarken op te gaan bouwen.

De slopers zijn nu bezig met de laatste loodjes. Ook mijn vorige werkplek – het secretariaat, de operatiekamers – bestaat inmiddels niet meer. In de bouwput is te zien hoe alles minutieus en met beleid gescheiden wordt verzameld en afgevoerd: metaal, beton, asbest en andere bouwmaterialen.

Net zoals wij de afgelopen jaren ons leven onder de loep hebben genomen en stuk voor stuk zaken hebben ‘gesloopt’ en afgevoerd. Jaaps werk. Heel veel spullen die we hebben weggegooid, weggegeven of verkocht. We zijn gaan consuminderen in plaats van consumeren. We drinken geen alcohol meer, eten zo min mogelijk bewerkt voedsel, geen suiker, geen vlees, enzovoort.

Daarvoor in de plaats kwamen experimenten uit de natuur omdat we er in Denemarken letterlijk soms niet omheen konden: de struiken barstensvol oranje duindoornbessen en glanzend rode rozenbottels en niet te vergeten al het lekkers wat in de tuin van ons Gele Huis bleek te staan. Qua werk voor Jaap werd het fotografie in plaats van facilitair. Ik kwam weer voor even terug bij mijn oude collega’s op hun nieuwe werkplek, en wisselde bij een nieuw, eveneens tijdelijk contract de chirurgen als opdrachtgevers in voor huisartsen.

Onze woning in Nederland wordt leger en overzichtelijker. We zijn er nog niet, maar de finishing touch is in zicht. Ook wij zijn bezig met de laatste loodjes. Dan kan het bordje Te Koop in de tuin worden gezet. Het Gele Huis in Denemarken ondergaat ook stap voor stap een metamorfose: van het compleet ingerichte, kant-en-klare vakantiehuis zoals we erin trokken, wordt het steeds meer onze eigen, verbeterde permanente woonstek. De plannen, net als voor het nieuwe centrale deel van het ziekenhuis, zijn er al lang, evenals vele tekeningen – de uitvoering ervan is in volle gang.

Slopen zorgt voor overlast, bouwen ook. Het kost ook veel energie. Soms zit ik even letterlijk in een (bouw)put en vraag ik me af waar we in vredesnaam mee bezig zijn. Wat breken we af, en komt het allemaal wel goed met de ‘nieuwbouw’?

Heel symbolisch is onlangs een loopbrug tussen dat oude, bijna gesloopte gebouw en de plek waar ik tegenwoordig werk ook verdwenen. Geen wankele verbindingen meer tussen dat-wat-was en dat-wat-nog-niet-ontstaan-is, maar slechts ruimte. Ruimte waarin alles mogelijk is.

ussie

(Commentaar overbodig 🙂 )

Het blauwe kistje

Mijn vader schreef méér dan alleen mooie volzinnen in reisdagboekjes. Toen ik eenmaal geboren was, stopte mijn moeder met de dagboekjes en nam mijn vader het schrijven over. De meeste boekjes die ik heb zijn dus ook onze vakanties door zijn ogen, in tegenstelling tot wat ik tot nu toe gepubliceerd heb, wat vooral mijn moeders pen was.

Het meest geraakt was ik – en ben ik nog steeds – door twee uitgescheurde velletjes schrijfsels van mijn vaders hand die ik enkele jaren geleden na het overlijden van mijn moeder vond in ‘het blauwe kistje’. Daarin zat alles wat belangrijk was, wist ik. In het overwegend lege kluisje vond ik indertijd onder meer mijn Zwitsal Babyboekje, waarin mijn vader nauwgezet al mijn mijlpalen heeft bijgehouden, vanaf de dinsdag 9.10 uur dat ik ter wereld kwam, tot 3 maart 1986 toen ik voor de eerste keer in mijn leven een forse operatie moest ondergaan.

Ik kende dat boekje, had het ooit wel eens opengeslagen en gelezen. Maar de twee aan elkaar geplakte kleine papiertjes waren nieuw voor me. Twee minuscule kladblaadjes uit een oude mini Succes-agenda, met daarop het regelmatige en in dit geval eveneens minuscule handschrift van mijn vader.

Het is twee maanden nadat hij de laatste bladzijden, en die laatste zin, in het reisdagboekje ‘1956’ heeft geschreven.

30 oct: 1e bezoek bij dr. Holst. Geen resultaat. Afwachten.

16 nov: 2e bezoek bij dr. Holst. Urine-onderzoek. Intussen 5 pond zwaarder.

21 nov: urine-onderzoek is positief. Na telefonisch bericht niet in hoerastemming. Weinig klachten.

27 dec: onderzoek dr. Holst. Intussen 8 pond zwaarder. Vitaminen slikken.

1 feb: onderzoek dr. Holst. Intussen 20 pond aangekomen. Alles moet zoutarm gegeten worden. Voor ’t overige gaat alles erg best. Brief meegekregen voor nieuwe dokter.

19 feb 1957: voor ’t eerst naar dr. Molenaar in Zwolle. Prettige indruk gekregen. Door blijven gaan met zoutarm eten. Beetje last van hoge bloeddruk en schildklier.

28 feb: naar dr. Molenaar. Bloeddruk goed. Doorgaan met zoutarm eten. Alles gaat dus prima. Met mevr. B. alle inkopen gedaan en we komen toch al echt in de goede stemming. Zr. Broek is inmiddels op bezoek geweest. Nog altijd een vraagteken thuis of ziekenhuis. In de maand maart gaat alles voorspoedig. Wij vinden het een groot evenement en wachten in spanning af.

2 april: ontstellende mededeling bij doktersbezoek. Kind is waarschijnlijk dood. Zeer hoge bloeddruk. Direct plat in bed met enkel fruit als leeftocht. Dezelfde dag komt dr. Molenaar nog terug en met een bezorgd gelaat gaan we de komende dingen afwachten. Mevr. S. is helemaal overstuur.

3 april: de huisdokter kan nog geen leven bespeuren. Voortgaan met fruitdieet.

4 april: als op 3 april maar nu wordt de vrouwenarts geconsulteerd, die wel beweging waarneemt doch wijst op de kritieke toestand die inmiddels zijn hoogtepunt heeft gevonden. Volstrekt zoutloos eten en waarschijnlijk tot de bevalling absolute bedrust.

5 april: huisdokter neemt nog altijd hoge bloeddruk waar.

6 april: de dokter kan vandaag iets optimistischer zijn.

8 april: de dokter blijft komen. Twee hulpen in huis, ’t kan niet op.

9 april: weer dokter, met steeds hetzelfde bericht. Santje is er. Diner valt tegen. (Santje was de beste vriendin van mijn moeder)

11-16 april: huisdokter voor routine-onderzoek. Hij neemt weer sterker hartkloppingen waar. Als het een jongen is noemen we hem Maarten en anders Olga.

19 april, Goede Vrijdag: ’s morgens om 8 uur buikklachten, om 9 uur vloeiingen en ruim een uur later ligt Gonnie in het ziekenhuis waar dr. Ten Brink geen leven meer waarneemt, maar dezelfde dag nog geen verdere beslissing wil nemen.

23 april: met kinine en wonderolie begint om 5 uur ’s morgens de kunstmatige opwekking. Tijdens het avondbezoekuur komen de weeën met tussenpozen van 5 min en bij weggaan om de 4 min. Zo wordt de naderende geboorte aangekondigd die volgens de dokter extra moeilijk zal zijn.

 24 april 1957: 03.10 uur wordt na 20 min persweeën een levenloos jongetje geboren. Om 7 uur word ik gebeld dat Gonnie het goed maakt, want ondanks herhaald aandringen mocht ik niet komen. Het is een ontroostbare Gonnie.

 26 april 1957: 10 uur begrafenis op Kranenburg. Het doek valt.  

Toen ik dit voor het eerst las, waren het de meeste woorden achter elkaar die ik ooit over mijn broer had ‘gehoord’. Mijn broer was dood geboren en werd vervolgens doodgezwegen. Zo ging dat in die tijd. Pas na het overlijden van mijn vorige partner, 20 jaar geleden, leek er vooral bij mijn vader iets structureel geknakt te zijn waardoor hij bij zijn eigen verdriet kon. Voor die tijd wist ik vooral van mijn moeder ‘hoe erg’ het indertijd allemaal geweest was. Niet minder, maar ook niet veel méér.

Ze had haar eerste kind, toen dat levenloos ter wereld was gekomen, in ieder geval niet meer mogen zien, of vasthouden. Mijn vader had niet bij haar mogen komen toen ze hem het hardst nodig had. Als mijn moeder iets vertelde over die periode, dan was het vaak alleen maar dit, en hoe boos ze hierom nu nog kon worden op de nonnen van het katholieke ziekenhuis.

Als ik bovenstaande tekst van mijn vader lees, word ik met terugwerkende kracht ook nog boos. ‘Gebeld dat Gonnie het goed maakt’…

Onvoorstelbaar.

dood geboren kind, doodgeboren, aangifte overlijden

Een naam heeft mijn broer (formeel) nooit gekregen. Zelfs zijn geslacht wordt in de aangifte bij de burgerlijke stand niet genoemd: een levenloos ‘kind’. Mijn broer Maarten heeft een anoniem graf gekregen.

 

‘Een bibberende Gonnie is de waanzin nabij’

Ter herinnering – nog altijd met een big smile – aan levensjutter avant la lettre Michael Maria Bakermans. Omdat hij op zijn geheel eigen wijze de laatste bladzijden van dit reisdagboekje 4 voor zijn rekening neemt. Hier zijn ze, op míjn geboortedag. En Gonnie, dat is dus mijn moeder.

paris

Zaterdag 1 september

KMS 32798

7.15 uur verlaten we het hotel, maar het wordt 9 uur voordat we op de grote weg zijn. Vreselijk om in Parijs te juiste weg te vinden, om de 100 meter ’n stoplicht en overal eenrichtingverkeer.

De periphérique heeft het er jaren later voor mijn vader niet veel makkelijker op gemaakt. Zelfs toen nog presteerde hij het een verkeerde afslag te nemen, waardoor we elke keer op weg naar het zuiden uren rondreden in of om Parijs…

Om half elf staan we met een lekke band.

En dan neemt mijn vader het over:

Na deze op twee plaatsen te hebben laten vulcaniseren in een nabijgelegen garage hebben we de tocht voortgezet in guur, miezerig doch droog weer. Zonder verdere bijzonderheden passeren we de Frans-Belgische grens en hier begint tevens de slechte weg. Plotseling blijkt in Brussel met het achterwiel iets niet in orde te zijn. Aanvankelijk denken we aan een lekke band, maar bij nadere controle komen we tot de conclusie dat het mankement van ernstiger aard is.

 Mijn vader spreekt hier in koninklijk meervoud. Als mijn moeder al gedachten heeft gehad over de lekke band, dan zullen die ongetwijfeld van een andere aard zijn geweest…

Wij zijn van mening dat alleen in een garage dit euvel verholpen kan worden, doch goede raad is duur, want het is zaterdagmiddag half vijf, dus zijn alle garages gesloten. Ons idee om een Lambretta-rijder aan te klampen geeft het gewenste resultaat, zodat we uiteindelijk, na tien minuten door de binnenstad van Brussel gehobbeld te hebben, bij een monteur uitkomen die bereid is tot helpen.

Anderhalf uur later ‘bollen’ (een uitdrukking van de Vlaamse hulp) we de werkplaats uit richting Eindhoven, BFR 200 armer, met nog pijn in ’t hart van de ‘vermoorde’ koelribben en km-teller, doch per slot van rekening zéér gelukkig op dit ongewone uur nog een kogellager verwisseld te hebben gekregen.

Het begint intussen al te schemeren en met de grootst mogelijke angst zit Gonnie op de duo gelaten de komende duisternis, die met grote snelheid tegemoet gereden wordt, af te wachten. Tot overmaat van ramp breekt nu ook nog het scherm af en na hiervoor een provisorische oplossing gevonden te hebben (met de bekende hulp van ons aller eega), het voorlicht wat vrijgemaakt te hebben, worden de laatste kilometers verreden met in de ene hand het stuur, in de andere hand het gebroken scherm, en dit alles natuurlijk onder het al-toeziend oog van een bibberende Gonnie die de waanzin nabij is.

Ocharme… mijn arme moeder! Ze reed niet graag in het donker omdat de plunjezak met bagage over het algemeen over het stuur hing, en dus ook over de koplamp… ‘het voorlicht WAT vrijmaken’ zal dus betekend hebben dat de plunjezak iets opzij geschoven werd…

Een friteskraam in Leuven komt de inwendige mens wat versterken en met veel pijn en moeite wordt omstreeks 11 uur met een zucht van verlichting Eindhoven bereikt in de wetenschap een zonovergoten en daarmede vitaminerijke vacantie 1956 achter de rug te hebben maar nog onkundig van het feit tijdens deze reis de kiem te hebben gelegd voor onze eersteling.

‘Er vliegt ook nog iets onder de scooter uit’

Ter herinnering – nog altijd met een big smile – aan levensjutter avant la lettre Michael Maria Bakermans. Omdat hij op zijn geheel eigen wijze de laatste bladzijden van dit reisdagboekje 4 voor zijn rekening neemt. Aflevering 8: via de Alpen naar Parijs. In deze stad van de romantiek bij uitstek liggen ze om half negen al in bed ‘en van Parijs hebben we dus niets gezien’.

grenoble

Woensdag 29 augustus

KMS 32080

7 uur opgestaan, nu eerst ’n bougie kopen en tanken. De scooter wil niet erg best. Ondanks de bougie tuffen we nog steeds. Het is hier prachtig aan natuurschoon. Eindelijk ’s middags zitten we dan in de regen. Bij ’n tankstation mogen we binnen komen om te schuilen.

Zo gauw als het even kan gaan we weer verder. Van Grenoble naar Bourg, Macon naar Châlon, waar we in de jeugdherberg blijven. Twee Schotten uit Latte zijn er ook. We hebben gepingpongd.

Toen was de wereld nog echt klein! (Want Châlon ligt nu niet bepaald op de meest logische route tussen Latte en Schotland…)

Donderdag 30 augustus

KMS 32395

Om 9 uur gaan we eerst naar ’n garage. 1 ½ uur duurt het voordat hij opgelapt is (de scooter) en gaan we dus de stad maar in. Ik kan Michael niets afzetten, zelfs geen reep chocola. De onkosten voor de scooter bedragen 1270 Fr (dit heeft mijn vader ingevuld).

In dit geval kan ik mijn vader geen ongelijk geven. Als je weet dat je nog een stevige garagerekening moet betalen, ga je geen frivoliteiten voor je vrouw kopen 😀

Van Châlon nu naar Fontainebleau. Het is voor mij wel ’n mooie weg, vierbaans, maar er valt weinig te zien. We schieten wel goed op. In de jeugdherberg zijn heerlijke warme douches waar ik dankbaar gebruik van maak.

Achterin het boekje nog een aantekening van mijn vader over het garagebezoek: Nieuwe zuigerveer ingezet en schoongemaakt.

Vrijdag 31 augustus

KMS 32689

Nu naar Parijs, ’n korte rit vandaag: 60 km. Er vliegt ook nog iets onder de scooter uit, volgens de baas niet erg belangrijk. Om 11 uur zijn we in Parijs. We hebben ruim 4 uur nodig om het hotel te zoeken waar we eerder geslapen hebben, maar toch lukt het niet om het te vinden.

Intussen giet het van de regen, en het verkeer daar word je helemaal gek van, 5 auto’s naast elkaar is hier heel gewoon. Bij de Arc de Triomphe zijn we gaan schuilen en hebben we een uurtje met een agent staan praten, zover als we ons verstaanbaar konden maken.

Hij vond vooral de Hollandse fietsen erg gek. Volgens hem zat je daar zo stijf en recht op. Terwijl we met hem staan te praten komen er een paar Hollanders en Amerikanen ons vragen of we hulp nodig hebben, die zien natuurlijk dat we zo staan te gebaren.

Dat was vanmorgen ook zo leuk. Toen stonden we even langs de weg omdat er iets aan de scooter was en toen passeerde een Fransman die vroeg of de we Politie nodig hadden. We zeiden ‘nee’ en even later kwam er een wagen met Hollandse RAF-lui om te vragen of we moeilijkheden hadden, die waren gestuurd door die Fransman.

In Parijs zijn we niet naar ’n jeugdherberg gegaan, maar naar ’n hotel, vanwege de regen. Half negen lagen we in bed en hebben dus niets van Parijs gezien.

‘Michael tracteert de meisjes op ’n scooterrit’

Ter herinnering – nog altijd met een big smile – aan levensjutter avant la lettre Michael Maria Bakermans. Omdat hij op zijn geheel eigen wijze de laatste bladzijden van dit reisdagboekje 4 voor zijn rekening neemt. Aflevering 7: mijn vader voorziet de Lambretta van een nieuw buitenbandje en er wordt gedanst.

ospedaletti

Zaterdag 25 augustus

Van 10 uur ’s morgens tot 5 uur aan het strand geweest. Een van de Hollandse meisjes moest naar huis en de andere drie brachten haar naar de trein in Nice.

Zondag 26 augustus

Met de scooter naar San Remo. Het is ’n geweldige stad met grote machtige gebouwen. Ook de binnenstad is erg interessant. Wel oud. Het is er ook erg druk met alle mogelijke mensen. We hebben ’s avonds in Ospedaletti gegeten, we hadden trek in spaghetti.

Doris Day in San Remo 1956

‘Alle mogelijke mensen’ lopen er rond in San Remo, onder wie Doris Day. M’n ouders hadden haar zomaar tegen het lijf kunnen lopen (maar dat is niet gebeurd)

Maandag 27 augustus

Met de meisjes maar weer naar het strand. Michael heeft gelukkig wat te doen. Hij heeft ’n nieuw buitenbandje gekocht en gaat dat nu verwisselen. Later heeft hij de meisjes getracteerd op ’n ijsje en ’n scooterrit.

In de jeugdherberg wordt buiten gedanst bij ’n ouderwetse pickup, die je nog op moet draaien. Er slaapt bij ons een ouwe tante, die ’s morgens ontdekt dat ze d’r gebit kwijt is.

Opnieuw wordt duidelijk dat mijn ouders nu wel samen in één ruimte mochten slapen, maar dat dit niet betekende dat ze privacy hadden.

Dinsdag 28 augustus

KMS 31793

Vertrek uit Latte 8 uur. Na Nice, Grasse, Digne-les-Bains komen we over de Alpen. Erg woest en mooi, maar ook met grote verbrande gedeeltes. Met veel pijn en moeite gaat de scooter naar boven.

In La Frante blijven we in een hotel waar we direct na het eten in bed duiken. Ik ben doodop en blij dat we in ’n heerlijk zacht, opgemaakt bed komen.

Dat ‘La Frante’ kan ik op de kaart niet vinden, op welke manier ik het ook schrijf. Hoe dan ook: ik kan me de blijdschap van mijn moeder voorstellen. Na zo’n spannende dag achterop de Lambretta is zo’n luxe bedje een verademing!

‘Michael heeft een naakte vrouw gezien’

Ter herinnering – nog altijd met een big smile – aan levensjutter avant la lettre Michael Maria Bakermans. Omdat hij op zijn geheel eigen wijze de laatste bladzijden van dit reisdagboekje 4 voor zijn rekening neemt. Aflevering 6: er moet een andere herberg worden gezocht, en er wordt even ingekocht in Frankrijk.

ambre-solaire-cosmetics-1956-photo-harry-meerson-hprints-com

Donderdag 23 augustus

Vannacht heeft er een vent op onze kamer geslapen, en Michael heeft een naakte vrouw gezien. Ze was zich lekker aan het wassen volgens hem.

Privacy: ho maar, dat blijkt. Noch voor mijn ouders, noch voor die poedelende blote dame.

Tot onze spijt moeten we de jeugdherberg verlaten. Er komen 25 Engelse meisjes. Maar nog geen 10 km verder kunnen we in een andere terecht. We gaan daarna even de grens over naar Menton om wat inkopen te doen. Het is vreselijk druk aan de grens, maar het valt erg mee met de tijd die je nodig hebt om er over te komen. Een van de douanes vroeg: Ollanda? Toen ik ja zei, antwoordde hij met ‘tot ziens’.

De eerste regenbui hebben we – hoe bestaat het – aan de Rivièra. In de jeugdherberg zijn 4 Hollandse meisjes uit Utrecht. We zijn hier in Latte. Er worden hier veel bloemen gekweekt, vooral anjers.

Vrijdag 24 augustus

Om weer te vertellen dat de zon schijnt is misschien flauw en ongelofelijk, maar het is nu eenmaal zo. We gaan vandaag met die vier meisjes naar het strand. Het is erg gezellig en dus vliegt de dag om.

Ongeveer half zes gaan Michael en ik samen de stad in, Ventemiglia, waar het vrij duur is en ik geloof dat ze overal maar wat vragen. Bij de ene zaak kost een flesje Ambre Solaire b.v. 150 lire en zo loopt het op tot 250. Nog steeds zie je hier ’s avonds laat Vaders en Moeders met hele jonge babies en kindergrut. Je loopt hier ’s avonds om tien uur nog in je zomerjurk, heerlijk.

Het genieten is bijna voelbaar, tussen de blijvende verbazing door over al dat kindergrut zo laat ’s avonds nog op straat. Ach, misschien heeft deze vakantie mijn moeder ook wel wat ‘losser’ gemaakt wat betreft alle door consultatiebureau en samenleving opgelegde regeltjes. Hoogzwanger van mij ging ze gewoon nog lekker achterop de scooter naar Denemarken, en ook als baby ben ik vanaf mijn geboorte gewoon overal mee naar toe genomen – in een hangmat achterin de auto. Maar ja: altijd wel op tijd naar bed. En dat doe ik nog steeds 😉

 

 

‘Met badpakken en brood naar zee’

Ter herinnering – nog altijd met een big smile – aan levensjutter avant la lettre Michael Maria Bakermans. Omdat hij op zijn geheel eigen wijze de laatste bladzijden van dit reisdagboekje 4 voor zijn rekening neemt. Aflevering 5: weinig te beleven, weinig te doen, anders dan heerlijk aan het strand liggen.

varazze

Zaterdag 18 augustus

KMS 31412

We gaan vandaag naar Varazze, waar we om 12 uur aankomen. Het is erg warm, dus gaan we direct naar de zee.

Zondag 19 augustus

Vandaag hebben we weer rust en gaan we dus aan zee liggen. Het weer is niet zo zonnig, maar de temperatuur is heerlijk

Maandag 20 augustus

KMS 31440

Vertrek uit Varazze met zeer warm weer. We gaan nu via San Remo naar Ospedaletti, waar we in ’n mooie grote jeugdherberg komen. Vanuit mijn kamer kijk je zo op de zee. Je mist hier wel een heerlijk glas koud water. Veel te beleven is hier niet.

In het restaurant, waar we eten met 2 Canadezen, 2 Duitsers en ’n Amerikaan heb je vanaf het terras ’n prachtig gezicht op de zee. De maan schijnt en in de verte zie je allemaal lichtjes, erg mooi. Na nog ’n wandeling gaan we om half elf naar bed.

Dinsdag 21 augustus

Weer ’n rustdag en weer is het stralend weer. Natuurlijk kun je dan niets anders doen als heerlijk aan het strand liggen. Het duurt niet lang of ik ben flink verbrand en zie er uit als ’n Indiaan.

’s Avonds gaan we gezellig de stad in. Eerst eten en daarna een heerlijk ijsje. Nog zo’n zalige wandeling en dan naar bed. Het was ’n heerlijke dag.

Woensdag 22 augustus

Nog steeds gaan we niet op de scooter. Met badpakken en brood naar zee. Veel is hier niet te zien of te beleven. We zouden vanavond naar San Remo, maar het begint zo te stormen en te weerlichten dat we maar besluiten om het niet te doen.

Nou, daar heb ik weinig aan toe te voegen. Zo hoort een vakantie te zijn 🙂

‘Italianen zijn toch wel aardig, maar ook getikt’

Ter herinnering – nog altijd met een big smile – aan levensjutter avant la lettre Michael Maria Bakermans. Omdat hij op zijn geheel eigen wijze de laatste bladzijden van dit reisdagboekje 4 voor zijn rekening neemt. Aflevering 4: het einddoel wordt bereikt, de bloemenrivièra. La dolce far niente kan beginnen!

rapallo

Donderdag 16 augustus

KMS 31197

Nu gaan we naar het beloofde land. De zon schijnt nog niet. Weer zit ik op Michael te wachten. Om 8 uur vertrekken we naar Genua. Het is een lange, saaie weg. Van Genua gaan we naar Rapallo, en zijn om 2 uur aan het strand.

Het beloofde land… dat was in die periode duidelijk de Italiaanse rivièra. Later werd dit ingeruild voor de Spaanse costa’s, en de huidige levensjutters zoeken het beloofde land wat noordelijker (even een terugblik, in een terugblik)

Het is hier erg mondain en duur, maar ook prachtig. De Italianen zijn toch wel aardig, maar als je ze soms bezig ziet, dan denk je toch ook wel dat ze ’n beetje getikt zijn. Zo zie je ’s avonds laat pa en ma netjes opgedoft in de stad met de baby van hoogstens ‘n ½ jaar op de arm.

En bang zijn ze ook niet, wat het motorrijden betreft. Waar wij met 20 km per uur naar beneden gaan doen hun het met minstens 60.

Die scootertjes (en ook de Lambretta) zijn natuurlijk uitgevonden in Italië, dus niet gek dat ze daar op die dingen rijden alsof ze nooit anders hebben gedaan… want dat hebben ze waarschijnlijk dus niet. Dat gebruik van ‘hun’ in deze zin (net als eerder het ‘klaar is de kous’) verbaast me eigenlijk wel, van mijn taalgevoelige moeder. Ben ik niet van haar gewend…

We blijven hier in Rapallo ’n paar dagen in de jeugdherberg, waar het ook vrij duur is. We zijn ’s avonds de stad in geweest, het was er allemaal erg chic. En in elke kroeg zat het tjokvol met mensen die naar de televisie zaten te kijken, zelfs ’n hele straat hadden ze geblokkeerd. Om 11 uur zijn we naar bed gegaan.

Vrijdag 17 augustus

Om 9 uur liggen we heerlijk aan de zee. Michael is nog steeds niet erg weg van het keienstrand…

Nee, mijn vader had liever zacht, warm zand, dat zich vormde naar de contouren van je lijf

… en dan is hier iets wat nog erger is: als je uit het water komt zitten je voeten vol splinters, en om ze eruit te krijgen valt niet mee en is erg pijnlijk. Eerst hebben we het met het schaartje gedaan, maar later kregen we een stilo van een Italiaan.

Tot 6 uur aan het strand gebleven, gegeten en gewandeld en toen om 11 uur naar bed. ’s Avonds heb je hier ’n beeldig gezicht op de stad.

Ik vraag me af wat die ‘splinters’ geweest kunnen zijn. Zee-egels? Zijn er kenners van deze kust onder de lezers?

‘Hoe kan het anders: ik moet lopen’

Ter herinnering – nog altijd met een big smile – aan levensjutter avant la lettre Michael Maria Bakermans. Omdat hij op zijn geheel eigen wijze de laatste bladzijden van dit reisdagboekje 4 voor zijn rekening neemt. Aflevering 3: amper over de grens worden de eerste Italiaanse ijsjes alweer genuttigd. ‘Een páár’ nog wel!

martigny-orsieres-chemin-de-fer

Woensdag 15 augustus

Vertrek Cossonnay 8.00 uur

KMS 30998

Na ’n heerlijk ontbijt vertrekken we om 8 uur richting Lausanne. Het is prachtig weer en de omgeving fantastisch. Aan onze rechterhand ligt het Meer van Genève. We komen nu door Montreux, waar we even een paar kaarten versturen. Nu verder naar Martigny. Nu gaat de sport beginnen. De bergen, en wel de Grote St. Bernhardpas.

’t Is hier schitterend mooi, maar ook erg angstig. En hoe kan het anders: ik moet lopen, maar niet zo lang, want ik kan met ‘n stel Oostenrijkers meeliften. Op de top staat de scooterheld me op te wachten en heeft intussen 4 foto’s gemaakt.

En elke keer als ik dit soort opmerkingen lees moet ik onwillekeurig nog steeds knarsetanden dat al deze foto’s er niet meer zijn. Plus in dit geval over het feit dat mijn vader dus doodleuk tegen mijn moeder zegt: hup, van de scooter af, ik zie je zo boven wel… 😮

Hier boven kun je de St Bernardhonden zien. We komen nu weer aan de grens en zijn dan in Italië. Voordat we naar Turijn gaan, nemen we eerst een paar heerlijke ijsjes. Het is intussen 5 uur en we moeten nog 127 km rijden. We komen in het donker in Turijn aan en het valt niet mee om de jeugdherberg te vinden, ondanks de behulpzaamheid van de Italianen. Ze kunnen dan niet eerlijk zijn, maar vriendelijk en behulpzaam zijn ze zeker.

Waar m’n moeder dat vandaan heeft, dat Italianen niet eerlijk zijn, ik heb geen idee. Volgens mij is het een vooroordeel; ik ken geen enkel verhaal waaruit blijkt dat ze ooit oneerlijk door een Italiaan zijn behandeld…

Het wordt 10 uur voordat we naar bed gaan na een vermoeiende dag en ’n flink verbrand gezicht.

Ja, dat wil wel, met prachtig weer in de Alpen. Dat is dan weer een voordeel van op een scooter zitten, lekker in de buitenlucht… De ‘bodem’ is gelegd, op naar de kust nu!