Nyhavn 17: een ander geel huis…

Het is enkele maanden na het plotselinge overlijden van mijn vorige partner dat ik een tatoeage laat zetten. Tot grote schrik en afschuw van mijn ouders, ondanks de ‘boodschap’ van de tattoo. Het is een vlinder. Symbool van verandering en vooral ook gekozen vanwege een favoriete quote: ‘Wat de rups het einde noemt, noemt de rest van de wereld een vlinder’.

De reden voor de afschuw en de griezels die vooral mijn moeder bekruipen als ze mijn vlinder ziet, lees ik kort geleden in een van de reisdagboekjes. In 1958 reizen ze door Scandinavië en bezoeken ze ook Kopenhagen, de woonplaats van vrienden die ze eerder in een jeugdherberg hebben ontmoet. Op een avond gaan ze met z’n vieren naar Nyhavn.

Eind jaren vijftig was het daar nog ‘luguber en sinister’, en niet alleen volgens mijn moeder. De oude havenwijk van Kopenhagen was toen nog gewoon een oude havenwijk (ondanks de naam Nieuwe Haven), waar het uitschot der aarde rondhing. Dieven en ruige zeebonken bezochten hier de hoeren in de vele louche cafés. Onder de Denen was het gezegde: je weet dat je in Nyhavn terecht bent gekomen op het moment dat je een mes tussen je ribben voelt.

tattoojack

Tattoo Jack – bekend geworden door zijn vrouwenportretten en voorganger van Ole – aan het werk in Nyhavn 17. (Foto Inge Ejstrup)

Lees even mee wat mijn moeder, toen een 30-jarige, keurige jonge vrouw uit een Eindhovens arbeidersgezin – die overigens inmiddels al best wel wat van het leven gezien had – schreef:

Nu gaan we de havenwijk van Kopenhagen in. Ik vind het erg luguber en sinister. Een of andere dronken knul klampte mij aan, Rita en Kinge zeiden toen: ‘Kom, snel doorlopen, want die vent zoekt ruzie’. Michael wou graag zien hoe je getatoeëerd werd, maar ik had zo’n spijt dat ik mee naar binnen ben gegaan, want dat was zoiets engs.

Er waren ’n Vader en Moeder met kind, die kwamen om hun kind te laten tatoeëren. Dat zoiets bestaat had ik niet kunnen denken. Het was gewoon verschrikkelijk. Van ’n dronken matroos kan je je zoiets nog voorstellen, maar dat een mens met z’n volle verstand zoiets doet! Ontzettend!

Volgens mij moet je daar een reuze infectie oplopen, want het bloed liep er aan alle kanten uit. Ik was blij dat we uit die wijk weg waren. Want wat je daar zag, daar zijn geen woorden voor te vinden.

nyhavn 17

Het Gele Huis in het oude havenkwartier van Kopenhagen: Nyhavn 17

Tegenwoordig is Nyhavn een hip en kleurig uitgaansgebied vol populaire restaurants, waar niet alleen toeristen maar ook de lokale bevolking komt om te ontspannen, en waar je zowel gezinnen als ontwerpers en kunstenaars vindt. En één van de meest iconische plekken hier dreigt het nu af te gaan leggen tegen de ver-‘hip’-ping van dit gebied: de tattooshop waar mijn moeder 60 jaar geleden de griezels kreeg: Tatovør Ole, de oudste nog in bedrijf zijnde tattooshop ter wereld. Een eeuw lang (tot 1975) was dit bovendien de enige plek in heel Scandinavië waar je een tatoeage kon laten zetten.

Gevestigd sinds 1884 in de kelder van Nyhavn 17, een opvallend geel gebouw met rode letters. De eigenaar van het gebouw wil de huur met de tattooshop niet verlengen, ten gunste van een nieuwe keuken voor een van de vele moderne restaurants. Alsof die er al niet genoeg zijn, terwijl dit het laatste overblijfsel is dat herinnert aan het verlopen verleden van dit havengebied. Een smetje op het o zo hyggelige blazoen van dit trendy stukje Denemarken?

De winkel heeft vele tatoeëerders gekend, maar Ole is wel de bekendste. Hij werkte hier vanaf 1947, nadat Jack in de gevangenis was beland vanwege drugshandel, en verwierf wereldfaam vanwege zijn scheepstatoeages. Van over de hele wereld kwam men naar ‘Tattoo Ole’ om zo’n schip te laten inkten. En het was niet alleen het schuim der aarde dat hier kwam: ook koning Frederik IX, de vader van de huidige koningin Margarethe, liet hier door Ole zelf een tatoeage zetten. Hij werd de ‘zeemanskoning’ genoemd: niet omdat hij zo van zeilen hield, maar omdat hij van top tot teen getatoeëerd was 🙂

 

Kong Frederik 2

In 1951 verscheen in magazine LIFE een artikel met een shirtloze Koning Frederik IX, trots zijn lichaamsbouw en zijn uitgebreide collectie tattoos showend, waaronder het handwerk van Tattoo Ole.

De huidige eigenaresse van ’s werelds oudste tattooshop is Majbritt ‘Lille Ole’ Petersen. In de lange rij van tatoeëerders is zij de eerste vrouw. Zij gaat er alles aan doen om de 133-jarige geschiedenis van haar winkel, waar mijn ouders heel even deel van uitgemaakt hebben, levend te houden. Op 14 september dient haar zaak voor de rechtbank, waarin ze zal pleiten voor het behoud van dit unieke stukje Deense geschiedenis. Om dit kracht bij te zetten is er ook een petitie gestart. Ik heb getekend. Jij ook?

PS: Het reisdagboekje ‘Jutland, Noorwegen, Zweden’ uit 1958 komt natuurlijk nog een keer compleet aan de orde. En om nóg een tipje van de sluier op te lichten: mijn moeder besluit dit boekje met: ‘… en dit is dan weer het besluit van de mooiste vacantie van ons leven’. Ondanks, of misschien stiekem ook wel een beetje dankzij, Tatovør Ole…

 

 

 

Advertenties

Geen gevaar, maar wel ’n hoop rompslomp

Het staat er zwart op wit: ik vorm geen risico voor de samenleving, meer specifiek nog gericht op ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’. Meneer (of mevrouw) H. heeft een onderzoek naar mijn gedrag ingesteld en stelt vast dat hij of zij geen bezwaar heeft gevonden om mij aan te stellen als flex administratieve kracht. Phew.

Wat een paar maanden geleden begon als een leuke, nieuwe tussendoor-uitdaging, een makkelijk, tijdelijke baantje tot de zomer zodat we nog even kunnen DoorsparenvoorDenemarken, is inmiddels serious business geworden. Het eenvoudige, kleine baantje werd al snel wat groter, er kwam een andere baan en dus nog meer uren bij, en nu werk ik fulltime, is mijn contract verlengd tot 1 april volgend jaar en staan volgende week de Amerikaanse accrediteurs op de stoep van het ziekenhuis waar ik werk.

Zo’n accreditatie is een kwaliteitslabel, en dat krijg je pas als je je zaakjes op orde hebt. Alle zaakjes. En da’s een hoop gedoe. Voor een ziekenhuis staat patiëntenzorg natuurlijk centraal, maar ook alle personeelsdossiers moeten kloppen en al het personeel moet ook gescreend zijn. Niet alleen de medici; iedereen. Dus ook ik moest er aan geloven.

En dan is het toch best wel een beetje spannend als die envelop van het Ministerie van Justitie in je brievenbus ligt. Want wanneer ben je een brave burger? En wanneer niet meer? De vorige keer dat ik me hier zenuwachtig over maakte betrof het een brief van het Deense Justitsministeriet. Dát werd toen een ‘nej’, maar deze keer ben ik wel door de keuring. ‘Geen bezwaren gebleken tegen betrokkene’.

Ik vorm geen gevaar in het kader van de gezondheidszorg en welzijn van mens en dier. Soms ben ik best wel een gevaar op de weg. Vroeger met de auto, en tegenwoordig op mijn fiets met elektrische trapondersteuning. Gelukkig maar dat er nog geen maximum snelheid is ingesteld voor fietsers…

Overigens: in Denemarken doen ze er al een paar jaar niet meer aan. Accreditatie. De Deense ziekenhuizen hebben deze ‘enorme bureaucratische rompslomp’ afgeschaft. Een veel gehoorde klacht was dat ziekenhuizen allerlei data moesten verzamelen die niet relevant waren voor de lokale situatie. Veel zinloos papierwerk, waardoor artsen en verpleegkundigen te weinig tijd overhielden voor patiëntenzorg of innovatie. De Deense minister voor Volksgezondheid was het met hen eens.

Ziekenhuizen in Denemarken kregen vervolgens de vrijheid om te werken aan thema’s die ze zelf belangrijk vonden. Ze stellen nu hun eigen prioriteiten, die passen bij hun eigen situatie. ‘Zo genereer je enthousiasme om de kwaliteit te verbeteren’, aldus Beth Lilja, directeur van het Deense instituut voor patiëntveiligheid.

Geen rompslomp maar enthousiasme. Ik ben ervoor!

 

Danske babyer græder mindre, of de zwangerschapsverlofvervangster

 

‘Horen jullie hem wel eens op zijn pannen slaan?’ vroeg de buurvrouw me onlangs tijdens een gezamenlijk achtertuinmomentje. ‘Wij zijn er inmiddels immuun voor…’ voegde ze er nog aan toe. Wel nu: wij – nog steeds – niet. Dat heb ik niet tegen de buurvrouw gezegd. Ik heb me ingehouden. Maar de afgelopen ruim duizend dagen hebben we hem elke dag gehoord. Ons nieuwe buurjongetje. Ooit een huilbaby, inmiddels een schreeuwpeuter met een Ikeakeukentje dus.

Toen hij er net was, zetten zijn ouders hem wel eens buiten voor de voordeur in de kinderwagen. Of liep de buurvrouw rondje na rondje om het grasveld, kinderwagen in de ene hand, smartphone in de andere. Want alleen buiten sliep hij goed. We hebben wel eens gezegd: ‘Ha, passen jullie de Deense methode toe?’ Maar dan werd-ie schielijk weer naar binnen gehaald met als gevolg: huilen.

Kom je in Denemarken langs een børnehave (letterlijk: een kindertuin, kinderdagverblijf dus), dan is de kans groot dat er een hele rij kinderwagens buiten staat. Want: buiten slapen ze beter, is de algemeen heersende opinie. En onlangs is het wetenschappelijk aangetoond: uit Brits onderzoek is naar voren gekomen dat Deense baby’s het minste van alle huilen. Nederlandse baby’s scoren als één van de slechtste…

barnevogn i sne

Kinderwagens in de sneeuw bij een Deens kinderdagverblijf. En huilen: ho maar!

Behalve dat buiten slapen doen ze het in Denemarken nog op wat andere fronten anders dan hier – of andere plekken op de wereld waar baby’s veel huilen zoals Canada en Italië. Denen onderkennen het belang van aandacht en zorg van de ouders in het eerste levensjaar van een nieuw mens. Daarom is het Deense ouderschapsverlof 52 weken (!), en in die periode geeft de Deense moeder borstvoeding. Ook weer zo’n dingetje waar Denemarken hoog op scoort. Vervolgens gaan zowel moeder als vader weer fulltime aan het werk en gaat het kind fulltime naar de opvang. Waar het dus – weer of geen weer – lekker in de kinderwagen veel tijd buiten doorbrengt.

Ik heb geen verstand van baby’s. Nooit zelf kinderen gebaard of aan de borst gehad, maar sinds ik een nieuwe rode draad in mijn carrière heb ontdekt als zwangerschapsverlofvervangster, zit ik automatisch ineens toch meer ‘in de baby’s’. Mijn eerste interim-baan vorig jaar was voor een periode van zeven maanden. De collega die ik verving had de standaardperiode van 16 weken bij haar eerste boreling als veel te kort ervaren, en pakte het nu dus anders aan.

Nu vervang ik opnieuw een aanstaande moeder. ‘Slechts’ vier maanden. Ik zeg dat niet tegen haar, hoor. Ik houd me in. Als ’t aan mij lag zou iedere ouder minstens zeven jaar verlof moeten nemen. Erg on-Deens, niet-van-deze-tijd, maar dat wil ik ook helemaal niet zijn. Volgens mij zou het de wereld aan babytranen schelen. En nog heel wat meer ook.

 

 

 

 

 

 

Zweten op Deens

Het wil maar niet vlotten met m’n Deens. Het voornemen is er wel, maar de uitvoering laat te wensen over. Het enige wat ik er tot nu toe vooral van leer is dat ik een meesteres uitstellen ben. Maar ja: dat wist ik eigenlijk al. Ik bedoel: ik had m’n boeken weer klaarliggen, maar wie gaat er nu zitten zweten op Deens als het de warmste 13 september is ooit? Zowel hier, als daar?

dmi_op_twitter___sa_varm_blev_din_tirsdag_29_9c_bekraeftet_ved__ribe__29c_del_steder_i__jylland_28_9c_ved__nakskov_hojest_pa_oerne_https___t_co_dnw6qhdpxq_

Ja, echt: vi har en hedebølge, ook in Kobberø!

Het is ook weinig inspirerend, en daar heb ik me achteraf in vergist: In Nederland, via internet, een Deense taalcursus doen. Met natuurlijk theoretische lesjes grammatica en veel audiobestanden om per letter van het (Deense) alfabet – dat heeft een paar letters meer zoals de ø en de æ – de uitspraak te leren. Maar converseren in mijn eentje (en dan ook nog in het Deens!) … het komt er niet van. Ook niet met Jaap, overigens. Dat blijft tot nu toe beperkt tot ‘hej, kæreste!’ (ha, lieverd!) en (als we in het Gele Huis zijn) het reciteren van de boodschappen: vi har brug for æbler, rugbrød (en dan proberen dit goed uit te spreken 😮 ) enzovoort.

14264942_1125121567525624_1637777207151451771_n

Ik wil ook in zo’n klasje!

Inmiddels is daar natuurlijk ook best wel een schepje frustratie bijgekomen dat op de plek waar we straks wonen juts gepraat wordt, jysk (ja, hier heeft de Deense Ikea z’n wortels dus…). En als ik nu in mijn beste Deens een paar woorden praat tegen een local ik over het algemeen geen benul heb van hetgeen er dan terug gezegd wordt. En ik dan maar wat knik en glimlach. Gggrrr.

14238311_1117613834943064_5832744927750333381_n

Tijdens zo’n uitstelmomentje, waarop ik soms even op Facebook rondwaar, ontdekte ik gisteren het Københavns Sprogcenter. En die maken Deens leren LEUK. Ik werd op slag jaloers dat wij a. niet naar Kopenhagen verhuizen zodat ik b. naar deze taalschool kan. Ze gaan daar met de klas (met emigranten uit alle windstreken) naar de dierentuin, om alle namen van de dieren daar te leren, en dan mag je na afloop een opstel schrijven over op welk dier jij het meest lijkt en waarom! Ze bezoeken ziekenhuizen, musea, restaurants… alles in het kader van Deens leren.

14054569_1107398785964569_2680464387589469964_o

Deens leren? Daar heb ik wel oren naar hoor…

Op hun site behalve handzame ‘themakaartjes’ ook geweldige Fun Facts over het leren van Deens en wat zijn die herkenbaar! Ik voel mij plots niet meer zo alleen in mijn Nederlandse uppie en krijg er zowaar zin in mijn saaie boeken maar weer eens open te slaan. Kan mij het schelen dat ik straks ongetwijfeld vaak hed bleve om ørerne als ik vand ud hælde af ørerne. En kijk, soms is Deens ook bijna Nederlands:

14184422_1110899688947812_6118855926208771871_n

That’s Dutch! 😀

Fotolog: naar het Gele Huis

6.50 uur: we rijden weg via een DHL Parcelshop die al om 7.00 uur open is. Gisteravond, juist voordat ik mijn laptop wilde dichtklappen kwam er nog een boekbestelling via Bol binnen. Oeps! Winkel vergeten te sluiten! Om mijn mooie hoge klantwaardering niet in gevaar te brengen handel ik deze nog maar meteen af.

Last Import - 1 van 21

Via ‘De Oversteek’ verlaten we Nijmegen

De auto zit vol spinnenwebben; zo weinig gebruiken we hem nog. Met een wat onbestemd gevoel laten we Nijmegen achter ons. Na Nice moet ik er toch niet aan denken… de 100e vierdaagse…. Nee. Niet doen dus.

We hebben weer een vreemd bij elkaar geraapt zootje mee: wuivende stekjes, een doos plus tas vol houtfoto’s, een krat met led-spots (de krat gaat gevuld met ooit meegenomen frutsels mee terug, is het plan), een wollen deken (in juli!!), een beeldscherm* en 1 vaas. Kunnen die paar laatste lelijke vazen die bij de inventaris hoorden en die ik niet meteen had weggegeven, nu ook naar de Genbrug.

Last Import - 2 van 21

Duitsland: ook zo’n land van windmolens

8.30 uur: we passeren de eerste grens. Meteen windmolens. Op het eerste bord wat ik zie staat ‘Anschnallen’. Sommige woorden hebben alle vooroordelen over een land en zijn volkscultuur in zich. Ik bedoel maar: zeg het eens hardop. Dat roept toch geen beeld op van een Bourgondisch leven…

Last Import - 3 van 21

Aanvankelijk rijdt het allemaal nog vlot door…

Last Import - 4 van 21

… maar dan ineens: heeeeee, een stretchlimo! Oh nee, dat zijn we zelf….

Last Import - 5 van 21

… file! Bah!

9.50 uur: vlak na de afslag waar we nog een andere route hadden kunnen kiezen: file. Maria, onze navigatiedame, zwijgt. VTA (verwachte tijd van aankomst) is nog kwart voor vijf. Een reparatie aan de middenvangrail, waar zo te zien onlangs een vrachtwagen doorheen is gedenderd, blijkt de oorzaak van dit (korte) oponthoud. 9.55 uur: we rijden weer.

Last Import - 8 van 21

Mooie brug bij Hamburg rechts…

Last Import - 7 van 21

… en de imposante havens links

11.11 uur: we naderen Hamburg. De parallelle streepjes staan bijna symbool voor de omstandigheden. De snelweg wordt verbreed (van 1111-baans naar 11111111-baans), de werkzaamheden bevinden zich soms op nauwelijks een meter afstand van huizen. Je zult hier maar wonen.

Last Import - 12 van 21

Je rijdt bijna door de kelders van de huizen heen op dit stuk van de snelweg door Hamburg

12.15 uur: een uurtje later – als we ons bevinden ter hoogte van oma Neelsen waar we vroeger nog wel eens overnachtten want: zo lekker halverwege – is het tijd voor een pitstop, en vanwege de regen lunch in de auto. We zitten mooi op schema.

Last Import - 13 van 21

Odin dut weer in na de lunch, en ik ook

13.30 uur: we zijn in Denemarken! Zowel de auto voor ons (Denen) als die achter ons (Noren) worden uit de rij gepikt. Wij mogen doorrijden. Nog zo’n 230 km door een ‘saai, nutteloos’ land, zoals een van mijn favoriete mede-blogsters Valhalla onlangs vertelde. Ja, dat was even slikken. Maar, Gerlinde, ik kan je geen ongelijk geven. Echt spannend is het niet. Wel druk, nu, en dan vooral aan de overkant, zuidwaarts. Spannend wordt het voor ons als de snelweg ophoudt. Nu is dat nog bij Herning, over enige tijd zal dat ‘pas’ in Holstebro zijn.

Holstebro, in het noorden van mid-Jutland, heeft een Europese subsidie gekregen en legt een mooie nieuwe snelweg aan. Holstebro is blooming. Holstebro is hot. Wij hopen maar dat het oprukkende snelle Deense leven hier stopt. En dat het de Oddesund nooit oversteekt. Want daar begint zo ongeveer noord-Jutland. Daar begint de rust. De stilte. De leegte. En mag dat alsjeblieft zo blijven?

14.23 uur: Ik heb dit nog niet geschreven of we staan stil. File. Ongeluk, zegt Maria. Even later: sirenes, remsporen op het wegdek, een gehavende middengeleider, een aantal gekreukelde auto’s en iemand op een brancard. Brrr.

Last Import - 14 van 21

De Oddesund komt in zicht!

16.09 uur: we rijden over de Oddesund. Links en rechts water, met schuimkoppen. Het grijze wolkendek breekt, blauwe lucht, zon.

Last Import - 16 van 21

De Oddesundbroen, de brug over de Oddesund. Noord-Jutland is een eiland, dus

Last Import - 17 van 21

En nog een keer de Oddesundbroen

16.26 uur: even de benen en de poten strekken aan het strand langs de fjord bij de steenfabriek. Bijna thuis. We waaien bijna uit onze jassen.

Last Import - 18 van 21

Schuimkoppen op de fjord. Een lekker westenwindje…

16.42 uur: thuis. Hjemme.

Last Import - 19 van 21

Det Gule Hus! We zijn er weer!

En wat heb je dan nog meer nodig…

wejstenwind

… niets toch? ;-

(PS: * dat beeldscherm heeft te maken met het drama van de muziekbibliotheek, daarover later meer)

 

Sankthansaften en een rieten dak in lichterlaaie

Het vuur op sommige stranden in Thy zal iets minder hoog oplaaien dit jaar als Sint Jansavond wordt gevierd. En dat ligt dan niet alleen aan de regen die er nu rijkelijk valt… We voelen ons een beetje beschaamd, achteraf. Maar op het moment dat we her en der bijeengeveegd juthout vonden, tijdens ons laatste bezoek aan het Gele Huis, dachten we maar aan één ding: compost.

Nou ja, twee dingen eigenlijk. Want met de vondst van een paar stevige balken krijgt ook een tuinhuis van gejut hout al enige vorm. Maar waar het ons vooral om ging deze keer waren pallets. We hadden het plan opgevat van een paar pallets compostbakken te maken, waar de komende tijd vooral het vele gras dat we van onze veldjes af maaien mag slinken.

Ik had er weinig fiducie in: in de zomer stormt het niet zo op de Westerzee, spoelt er weinig aan, en valt er dus weinig te jutten. Groot was onze verbazing toen we op diverse plekken aan het strand enorme stapels zeer divers juthout aantroffen: planken, balken, boomstronken, pallets – van half vergaan tot nog in heel mooie conditie. Het vermoeden rees dat hier verzameld werd voor een midzomerfeestje.

Het idee dat alles in de fik zou gaan voedde de gedachte dat per brandstapel 1 goede balk of 1 stevige pallet niet echt gemist zou worden. En zo stroopten we – eerder blij dan bezwaard want al het hout was bijeen geveegd op zeer toegankelijke plekken zodat we geen kilometers hoefden te sjouwen – enkele brandstapels af. Twee van de gewenste drie compostbakken af, en het tuinhuis in gedachten ook al. Wauw!

Compostbakken maken van oude pallets

Twee compostbakken-in-wording van pallets

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

En de contouren van het tuinhuis krijgen ook vorm!

Eenmaal weer terug in Nederland lees ik over de viering van Sankt Hans, zoals Johannes de Doper in Denemarken heet. Want hoewel oorspronkelijk een heidens zonnewendefeest (net als de winterwende) is het verchristelijkt tot feestdag ter ere van de geboorte van Johannes – zoals de winterwende Kerst werd vanwege de geboortedag van Christus. En net zoals de Denen vooral kerstavond vieren in plaats van Kerst, vieren ze ook sankthansaften – Sint Jansavond.

Met vuur, veel vuur. Vanwege het moment – lange, lichte nachten en een aangename temperatuur – en omdat vuur van oudsher wordt beschouwd als afweer- en verdelgingsmiddel voor boze geesten, die vooral ’s avonds en ’s nachts actief zijn. Daarom worden de vuren ook op de avond voor de 24e juni aangestoken en niet overdag op 24 juni zelf.

Sankthansaften is het meest populaire feest voor de Denen. In het met tomeloze energie (en tractors) bijeengeveegde hout hebben wij schaamteloos staan graaien. Als dat maar goed komt. Vanavond toch nog maar even wat Sint Janskruid plukken ergens. Immers: ‘Het zou behoeden tegen branden en allerlei kwalen, geplukt voor zonsopgang beschermde het tegen de bliksem, welke je rieten dak in lichterlaaie zou kunnen zetten.’ En net als in Nederland bliksemt het nu ook volop boven ons rietgedekte Gele Huis… Of misschien helpt het als we nu uit volle borst meezingen…

Morgen, op de geboortedag van Johannes, meer over tradities, hekserij en bijgeloof rond dit feest.

 

 

 

Aalborg: de gelukkigste stad van Europa

Een verrassing: niet in Kopenhagen, maar in het relatief onbekende Aalborg (spreek uit: Ol-bor) wonen de meeste tevreden, gelukkige mensen van Europa. ‘Onze’ hoofdstad, in het noorden van Jutland. 133 kilometer van Kobberø, oftewel bijna twee uur rijden, want: binnendoor & geen snelweg. We zijn er (daarom) nog nooit geweest, maar daar moet dan toch maar eens verandering in komen.

Aalborg__Denemarken_naar_Kobberøgårdvej_3_-_Google_Maps

Het ligt bijna aan de andere kant van het land! (Helemaal rechtsbovenin ‘het prachtige Skagen’)

Er is dus weer eens een onderzoek gedaan door een of andere Europese Commissie: naar de kwaliteit van leven in Europese steden. Denemarken scoort bij dit soort dingen altijd wel goed, en meestal lijkt Kopenhagen dan even de navel van de wereld. Kopenhagen is immers de Groenste, de Fietsvriendelijkste en de Homovriendelijkste Stad – van de hele wereld, om slechts een paar titels van de vele te noemen.

Maar nu is de hoofdstad onttroond en gaat de vierde stad van Denemarken met de eer strijken. Het werd ook eens tijd. Altijd maar die aandacht op Kopenhagen… In Aalborg roepen ze natuurlijk meteen ‘eindelijk de erkenning die we al zo lang verdienen’. Tja, dat wisten de Vikingen ruim 1000 jaar geleden al, toen ze hier een handelspost op een mooi strategisch punt aan de Limfjord stichtten.

In de stad zelf wonen inmiddels ruim 100.000 mensen, en in de hele gemeente 200.000, desondanks schijnt het er toch erg dorps te zijn. Gezellig, zonder de verstikkende drukte.

‘Aalborg is een vreemde stad’, zo lees ik in ons toeristische Trotterboekje. En ook: ‘Een heel aangename halte langs de weg naar het prachtige Skagen’ – voor de toerist die noordwaarts gaat. En: ‘Als je weer naar het zuiden afzakt, neem dan zeker de weg langs de westkust via Hanstholm, Thyborøn, Torsminde en Hvide Sande. Gegarandeerd dat je hier grote ogen opzet bij het zien van de duinen en meertjes, de vissershaventjes en de ontelbare trekvogels’. Daar ergens wonen wij dus, in het Gele Huis.

23938284560_7327656dda_z

Hier zetten wij elke keer weer grote ogen op, bij de duinen en meertjes van Agger Tange… 

NB: op nummer twee staat Kopenhagen (dat dan weer wel), gevolgd door Reykjavik, Zurich en Graz.

 

 

Het meisje met de rozenhoutjes

Geen spectaculair afscheid vandaag van de zon, die zich hier nu 17 uur en 18 minuten lang niet meer laat zien. Geen gele en oranje strepen tegen een nacht- en ijsblauwe lucht. Om 15.46 verdwijnt-ie stiekem, ongemerkt, achter dikke grijze bewolking. Niet veel later is het gewoon ineens donker.

De temperatuur is nog steeds hoog voor de tijd van het jaar, dus geen reden om in de weinige daglichttijd die ons rest niet iets te gaan doen buiten. Jaap gaat verder met zijn hut, maar ik kan mijn draai buiten niet vinden en ga weer naar binnen. Ik zorg vandaag voor de kachel. Man bouwt schuur, vrouw stookt vuur. Het heeft iets oers.

Ik hoef geen vreugdevuur te bouwen, alleen te zorgen dat er iets blijft gloeien. Ik voer de kachel mijn deze zomer gesnoeide rozenhoutjes, en terwijl ik in de vlammen staar droom ik af en toe weg zoals Hans Christian Andersens meisje met de zwavelstokjes visioenen had. Zonder de koude, de sneeuw, de armoede, maar vanuit een hyggelig, warm, geel bondehus. En Oudejaarsavond is het ook nog niet, maar zo’n kortste dag heeft ook wel iets weemoedigs: de laatste dag van het minder worden van het licht, vanaf nu wordt het licht alleen maar weer méér…

DSC03289

“Zij had nog geen zwavelstokjes verkocht, haar vader zou haar slaan. Ze besloot één zwavelstokje op te steken om haar vingers te warmen. Plotseling zag ze een lekker warm en gezellig huis.”

Het is een van Andersens meest geliefde, maar ook droevigste, sprookjes. Sinds het in de winter van 1845 werd geschreven, hebben velen zich gebogen over de betekenis, of er een eigen versie van gemaakt. Mij spreekt de versie van de Franse schrijver en illustrator Tomi Ungerer zeer aan. In zijn ‘Allumette’ speelt het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes zich af in de twintigste eeuw, in een wereld waarin iedereen is voorzien van een aansteker. Waar Andersens meisje met de zwavelstokjes sterft, worden in Allumette al haar dromen vervuld. Ze maakt gebruik van de mogelijkheden die ze krijgt om niet alleen haar leven, maar ook de samenleving in haar geheel te verbeteren.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Het meisje heeft het zo koud, dat ze besluit een zwavelstokje aan te steken. Plotseling lijkt het alsof ze voor een ijzeren kachel zit, zo lekker warm, maar als het zwavelstokje uitgaat is het weer koud en donker.”

In steeds meer moderne versies van dit Deense sprookje staat de kracht van het meisje zelf centraal, in plaats van verlossing in het hiernamaals. Het verhaal wordt steeds positiever. Net zoals de dagen vanaf nu, na de winterwende. Net zoals het verhaal in De Efteling eindigt: ‘Het is de kracht van de liefde, die altijd wint. Geluk is voor een ieder en nu ook voor dit kind’.

En zo zijn we op de kortste dag van het jaar allebei weer even kind: Jaap bouwt een hut, ik speel met zwavelstokjes…

 

 

 

Eendenvlees, kerstbier en varkensspek met huid

Tradities. In Denemarken lusten ze er wel pap van. Nou ja, liever misschien rødgrød med fløde – het Deense equivalent van ons ‘roggebrood’ als je wilt testen hoe goed de uitspraak van een allochtoon is – of julebryg. Kerstbier. Op het moment dat dit verkrijgbaar is, “voelt het alsof de eerste sneeuwvlok is gevallen en is het Kerstseizoen officieel begonnen in Denemarken”. De eerste vrijdagavond van november klokke negen – afgelopen vrijdag dus – was het zover.

Ooit begon deze traditie op de tweede woensdag van november, maar op dringend verzoek van een aanzienlijke groep afnemers is het vijftien jaar geleden verschoven naar de eerste vrijdag. Studenten zaten namelijk en masse met een houten kop op donderdag in de collegebanken…

En dan is het kerstseizoen nog maar net begonnen of het volgende feest wordt alweer gevierd: Sint Morten. Op de avond voorafgaand aan Sint Maarten eet iedere rechtgeaarde Deen eend. Een-derde van de totale jaarlijkse consumptie aan eendenvlees in Denemarken wordt op deze avond verorberd. Het is een opmaat voor Kerst, want dan gaat de rest van het Deense eendenvlees de pan in.

De Sint Maartensavond-traditie komt voort uit de legende dat Sint Maarten te bescheiden was om zich tot bisschop te laten wijden en zich daarom verstopte. In een schuur vol ganzen, die hem verraadden met hun gegak. Daar moesten ze voor boeten: de ganzen werden gevangen en opgegeten. Waarom de Denen nu eend eten in plaats van gans? Ganzenvlees schijnt droger te zijn dan eendenvlees, duurder en volgens sommige bronnen zijn de Deense ovens gewoon te klein… Arme eenden!

Tussen al deze feestelijkheden door – alsof er nog niet genoeg gegeten en gedronken wordt – mogen de Denen zich tot 16 november ook nog uitspreken over hun Nationale Gerecht. Waar kom je, als Deen, voor thuis? Wat neem je, als geëmigreerde Deen, mee terug naar je nieuwe moederland na een bezoek aan je geboorteplek? De verkiezing maakt onderdeel uit van een campagne om aandacht te vragen voor het ‘samen eten’ en het gebruik van lokale ingrediënten.

Ik moet eerlijk zeggen: de Deense keuken zal nooit de onze worden. Rødgrød med fløde (rode bessen met room), hèt toptoetje in Denemarken, heeft de finale van deze campagne niet gehaald. Net als de fameuze hotdog. Van de top acht waaruit de Denen hun nationalret kunnen kiezen, word ik niet echt blij: varkensvleespasteitjes, hamlappen, gehaktballen, gebakken haring… en waar ik acuut vlekken van krijg: fleskestæg – varkensfilet met spek en huid…

Wij eten vrijwel geen vlees meer, en al helemaal geen varken. Wij drinken geen alcohol meer, en al helemaal geen bier. We hopen maar dat het Deense smørrebrød, het enige gezonde gerecht in de top acht en veruit onze favoriet, gaat winnen. Maar tradities, sneeuwvlokken en kerstgevoel: ja, graag!

We staan dus te popelen om ons binnenkort weer even onder te dompelen in dit Denemarken-gevoel. En dat gaan we in een heel bijzonder onderkomen doen. Het is één van de vakantiehuizen van Hans, de man die we leerden kennen toen we probeerden Casa del Maja te kopen.

Filmpje: de Deense versie van de Amerikaanse Coca Cola Kersttruck…. 

 

 

 

Oranje besjes en boleten

We zijn in de boekhandel om twee bestelde woordenboeken op te halen als ons oog valt op dat ene boek tegenover de kassa: Havtorn, nordens citron. Een zeer smakelijk uitziend kookboek waarin de duindoorn centraal staat. Ik ken het besje vooral als ingrediënt van mijn favoriete huidolie. Dat het ook voor menselijke consumptie geschikt is… ik had geen idee, tot nu toe.

Hier aan de Deense kust kun je op weg naar zee geen duin door zonder de opvallende struik te zien. Op dit moment van het jaar draagt zij uitbundig oranjegele vrucht. Het boek prikkelt niet alleen onze zintuigen (van de mooie plaatjes en de verwijzing naar citroen loopt het water ons al in de mond) maar ook onze culinaire nieuwsgierigheid. We nemen het mee. En doe er dan ook dat kassakoopje over eetbare paddenstoelen maar bij… Samen met Gyldendals Røde Ordbøger (de Deense versie van Van Dale) moeten we er toch uit kunnen komen welke lækkert en welke giftig zijn.

Bij het bestellen kan ik me aardig redden in het Deens, al begrijp ik niet alles wat de verkoopster allemaal terugzegt. Voor ik er erg in heb heeft ze alles in een plastic tas gestopt en ik ben nog niet ad rem genoeg in det Danske sprog om te zeggen: Nee, dat hoeft niet, we hebben een rugzak… Denen zijn nogal ruim in het uitdelen van plastic tasjes, helaas.

Thuis duiken we de boeken in, en internet op. Bijzonder besje, die duindoorn. Het barst – onder meer – van het halve alfabet aan vitaminen en vier onverzadigde omega-vetzuren. Indrukwekkend! Dat het een weldaad is voor je huid wist ik dus al, maar dat het ook inwendig zoveel goed doet is nieuw.

Jaap zoekt de beste besjes uit

Jaap zoekt de beste besjes uit

Tijd om de duinen op te zoeken, gewapend met snoeischaar die we hier in de schuur vinden en (kan het toch nog ergens nuttig voor gebruikt worden) het plastic tasje uit de boekenwinkel. Want het donkeroranje sap uit de besjes is als verfstof, dus maar niet verzamelen in de rugzak of Jaaps leren hoed.

Hier in Denemarken is het namelijk toegestaan ‘zoveel voor eigen gebruik te plukken als in je hoed past’, hebben we in het kookboek gelezen. En omdat deze regel in een grijs verleden is bedacht, en de Denen vandaag de dag geen hoeden meer dragen maar wel plastic tasjes, is de vertaalslag gemaakt: je mag zoveel plukken als in een gemiddeld plastic tasje past…

Op één vierkante meter vinden we voldoende om dat tasje te vullen. We snoeien hier en daar netjes een takje rijk begroeid met besjes af. Die besjes ter plekke plukken is geen optie: ze zitten zo strak tegen de takken aan dat ze tussen de vingers ontploffen. Bovendien heet de struik niet voor niets zo: tussen de trossen besjes zitten akelig lange en scherpe doorns.

Ik knip, Jaap plukt en knijpt

Ik knip, Jaap plukt en knijpt

De bedoeling is ze thuis in te vriezen (met tak en al dus), dan schijn je daarna de bevroren besjes er zo af te kunnen schudden. Na een etmaal zijn de besjes koud, maar nog lang niet berijpt voor een vrije val. Dan dus toch maar het zeil op tafel en opnieuw de snoeischaar en een nagelschaartje ter hand nemen. Wat een pokkewerk! Nu snap ik waarom mijn fijne huidolie zo duur is… Maar na een uur knippen, knijpen en plukken hebben we een zodanig bergje besjes dat we het tijd vinden voor het eerste eet-experiment. Op het menu vanavond staat rode kool, en daar lijkt mij een handvol van die besjes prima bij smaken.

Het is een ware openbaring. Bij elke hap een besje mee en het moment dat je hier op bijt en de inhoud in je mond ontploft… onvergelijkbaar lekker! Duindoorn heeft het zuurtje van citroen, het exotisch-zoete van passievrucht en een geheel eigen bittertje. We zijn acuut verslaafd.

Het Oranje Goud in een steelpannetje

Het Oranje Goud in een steelpannetje

De rest van de besjes gaat de pan in. Even de kook er over en het hele huis ruikt heerlijk naar intens oranje, naar zon, zoet, zuur en zaligheid. Het gekookte prutje gaat door de zeef en dat levert een lekker dik sap op. De schillen en de pitjes gaan in een bakje bovenop de houtkachel om te drogen. Bij een volgende portie droog ik de resten niet, maar gaan die in de blender samen met rozemarijn en wat olie voor een prachtige oranje duindoornolie.

Flesje duindoorndiksap in de koelkast...

Flesje duindoorndiksap in de koelkast…

... en de restjes drogen op de houtkachel

… en de restjes drogen op de houtkachel

Nu ook nog met dat paddenstoelenboekje op pad. Dat zal wat lastiger worden. Ook al staan de eetbare en de beter-niet-te-eten versie die er zeer veel op lijkt naast elkaar in dat boekje, de één in een groen kadertje en de ander in een rood, juist daar zit ‘m de kneep voor ons eetbare-natuur-leken. Mochten jullie te lang niks meer van ons horen, dan hebben we in onze oranje juichstemming de Satansboleet toch voor een gewone heksenboleet aangezien…